In de dagen van de Spelen van Atlanta in 1996 was Muhammad Ali (de vroegere Cassius Clay) een wandelend reclamebord voor de Verenigde Staten.

Waar ‘The Greatest’ ook liep, rondgereden werd, zat te eten of ergens op een tribune zat: mensen kwamen klappend langs, mannen namen hun pet af en vrouwen sloegen een kruisje.

De ‘Coca-Cola Games’ konden geen beter uithangbord hebben en toen Ali, omgeven door een ware golf aan beveiligers en would-be managers in de basketbalzaal binnen gebracht werd om de spelers van ‘Dreamteam III’ persoonlijk te ontmoeten, ontplofte het publiek.
 
Ik zat erbij en kan bijna het kippenvelgevoel nu nog voelen dat toen door mijn lijf trok. Mensen waren uitzinnig, klapten, schreeuwden, een geweldig ‘USA, USA, USA’ werd ingezet.

De toen al breekbare, voorzichtig bewegende Ali werd aangeraakt, zachtjes op de schouder geslagen en omarmd door mensen als Shaq, Gary Payton, Karl Malone en Charles Barkley en al die andere beroemde NBA-profs.
 
Gepasseerd
 
De volgende dag stond er een venijnig stukje in de Amerikaanse pers. Ook Joe Frazier was die avond in de zaal geweest, ergens weggestopt tussen het publiek. Hij had dat hele gedoe gezien dat zijn opponent in drie grote, grote gevechten in een behoorlijk dichtbij gelegen verleden ten deel viel en hij had zich klein, onbelangrijk en weer gepasseerd gevoeld.
 
Ook hij had misschien wel wat applaus mogen krijgen, was zijn voorzichtige gedachte geweest, maar niemand taalde naar hem. Het was alsof hij niet bestond.

Toen hem gevraagd werd wat hij vond van het moment dat Ali de olympische vlam aan mocht steken, antwoordde hij: “They should’ve thrown him in.” Met een verontschuldigende lach, dat wel. Ook geen aardige woorden, zeg ik nu.
 
Boekpresentatie
 

Een kleine week later. Voor de NOS maak ik een zaterdagochtendfilmpje met de doelvrouw van de nationale hockeyploeg, Jacqueline Toxopeus. Een soort feel good-filmpje, waarin zij door Atlanta wandelt en ondertussen iets over de Spelen vertelt.

We (Peter Bakker, de cameraman, en ik) filmden dat in een winkelcentrum ten noorden van de olympische stad. Om de optocht niet te groot te maken en niet voortdurend aan Amerikanen te hoeven uitleggen (of toestemming te vragen) wat we aan het doen waren, liepen de twee ver voor me uit. Ze zouden een half uurtje wegblijven.
 
Ik dwaalde wat rond en zag ineens de laatste vijf minuten van een boekpresentatie en handtekeningsessie van… Joe Frazier.

Prachtig, dacht ik en zag een kort interview voor me. Ik sloot aan in de korte rij en toen ik tegenover de kleine wereldkampioen van weleer stond, stelde ik me voor en vroeg hem of ik, als mijn cameraman terug was, iets aan hem mocht vragen.
 
Hij lachte vriendelijk. “Maar natuurlijk”, zei hij en ging verder met tekenen. Een kwartier later begonnen mensen van zijn uitgeverij de boel in te pakken en verschenen er brede bodyguards. Ik had al zevenmaal op mijn horloge gekeken, maar de twee waren nog niet terug.
 
Licht geïrriteerd
 

Het gezelschap werd door een drukdoende manager langzaam naar de uitgang gedreven, maar Frazier maakte zich los en zei tegen alle mensen: “Ik heb deze man uit The Netherlands beloofd een paar vragen te beantwoorden, hij staat op zijn cameraman te wachten, wij wachten dus ook. Zo erg is dat niet.”
 
Verbaasd en ook licht geïrriteerd hield iedereen in. Frazier vroeg me of wij in Nederland ook zijn drie grote gevechten met Ali hadden gezien en uit alles kon ik merken dat alles dat hij gedaan had en nog steeds deed slechts één centraal thema in zich droeg: Ali. Wat hij deed, waar hij was, wie hem benaderde; elk tweede woord in het gesprek was Ali.
 
We stonden drie pijnlijk lange minuten te wachten en ik voelde dat ik moest zeggen dat het me speet, maar Frazier zei, terwijl het hele gezelschap hem verbaasd aankeek: “One minute more, let’s give it a chance”.
 
Het mocht niet zo zijn. Ik gaf de kleine man een hand, bood mijn excuses aan en zag het gezelschap naar klaarstaande limousines lopen. Twaalf minuten later kwamen Jacqueline en Peter terug. Ze zeiden licht verdwaald te zijn geweest, maar het had wel heel mooie beelden opgeleverd.
 
Toen we terug reden naar de olympische stad, vertelde ik wat er gebeurd was. Het bleef even goed stil in de auto.
 
Historische gevechten
 
Aan dat moment moest ik denken toen ik hoorde dat Joe Frazier overleden was. Ali noemde hem, ongestraft ook nog, een ‘gorilla’ en een ‘Uncle Tom’ en degradeerde en kleineerde hem.
 
Frazier kreeg nooit de eer die hem toekwam; een moedige olympisch kampioen en de man die Ali, in New York, in de Madison Square Garden, ooit alle hoeken van de ring liet zien. Daarna kwamen de gigagevechten op Jamaica en in Manilla. Historische gevechten, die Ali won.
 
Joe Frazier was, begreep ik ook later, een nobel mens en nee, natuurlijk niet zo groot als Ali, maar groot van zichzelf. Een gedrongen man met waarden en beheersing.
 
Een vriendelijk mens daar op die zaterdagochtend. Eentje met geduld in het lijf.