Ik beklaag de jeunesse dorée dat ze de hoogtijdagen van Joe Frazier en Mohammed Ali niet heeft gekend. Frazier is zopas overleden, Ali leeft nog, Parkinsongewijs.

Aan de sjoemelende hansworsten dezer contreien zie je het niet af, maar boksen is hoge kunst. Noblesse. Je zou een halve krant kunnen vullen met cinematografische stillevens van bokslegendes uit de vorige eeuw. Lewis, Ali, Frazier, Foreman… Verfijnde spiermassa’s in de ring, exotische erotiek daarbuiten. Altijd in suède jassen en hoeden van bont. De vrouwen sowieso naadloze Jeff Koonstypes.

Een museum waard.

Nooit vergeet ik de The Fight of the Century in Madison Square Garden, waar Smokin’ Joe als eerste de onoverwinnelijke Ali tegen het canvas sloeg. Even historisch is The Thrilla in Manila, toen Joe wankelend en quasi blind de ring uit strompelde. Ondanks die geweldige linkse hoek van hem, jarenlang uitgetest in een abattoir op bevroren kadavers.

In de jaren zeventig zette ik, punk-drunk, de wekker voor flamboyante bokspartijen in New York. Het had bijna iets religieus, die stilte van jezelf en van de nacht.

Jammer, nooit sta ik nog eens midnachts op – voor wie dan wel?

Voeten van Frazier en Ali ritualiseerden hun handen. Mij lukt het niet.

Door Hugo Camps