Chef de mission Maurits Hendriks verliet de Olympische Spelen van Londen in de overtuiging dat wie niet 365 dagen per jaar met topsport (zijn vak) bezig is of kan zijn, de ambitie kan vergeten ooit aan de wereldtop te komen. Dat is een keiharde conclusie en hij heeft het gelijk aan zijn zijde gekregen met de indrukwekkende medaille oogst: zes keer goud, zes keer zilver en acht keer brons. Hoe moet dat nu met de Nederlandse bokssport? Wat kan het boksen leren van het succesvolle verloop van de Spelen? Een heleboel. Sporten als BMX, zeilen, beachvolleybal, mountainbiken, om er maar enkele te noemen, zijn erin geslaagd om een grotendeels fulltime-programma voor sporters en coaches door te voeren. Zij slagen waarin het boksen faalt: namelijk het invoeren van een 365 dagen trainingsaanpak.

Dit is een van de belangrijkste redenen waarom geen Oranje-equipe meer werd afgevaardigd na de Spelen van Barcelona, met zes vaderlandse deelnemers. Zelfs geen enkele individuele deelnemer verscheen in de Olympische ring. Oorzaken: de begeleiding van de topboksers is half professioneel en de daarbij horende structuur idem dito. Een maand voor een internationaal kampioenschap nog even een buitenlands trainingskamp regelen, wat voorkwam, het ontbreken van een duidelijk jaarplan met visie, boksers topsport laten bedrijven zonder tegemoetkoming in de reis- en verblijfskosten, dat hele pakket is in belangrijke mate niet aanwezig. Al te gemakkelijk wordt gesteld, dat is puur een kwestie van geld. Wie individueel niet durft te investeren, maakt geen progressie. En dan wordt ook maar al te vaak gewezen in de richting NOC*NSF als hoofdschuldige. Dat is deels waar. Maar vanuit een andere visie kan gesteld worden dat die opoffering ook gevraagd mag worden van de sporters, coaches en de bond. Zij moeten ook durven investeren in de toekomst, tijd en in geld.

Hoe is het nou mogelijk dat een moderne tak van sport als BMX een replica van de baan in Londen kan laten neerleggen op Papendal, wat tonnen kost, en een wereldverspreide sport als het boksen met tien gewichtsklassen en even veel medaillekansen, geen toestemming krijgt om op datzelfde sportcomplex een eigentijdse Olympische boksring aan te schaffen. Kosten vijftien duizend euro. Nog steeds wordt in een achteraf hoekje van een hal getraind in een ring zoals men vroeger in Rocky films tegenkwam. Maar dat is het niet alleen. BMX, zeilen, beachvolleybal enzovoort tellen sporters en coaches die de concurrentie (kunnen)opzoeken over de hele wereld. Dagelijks, meer dan een jaar lang, ter voorbereiding op de Spelen. Dat is een garantie voor succes, althans de basis wordt hiervoor gelegd.

Het boksen is na de Olympische Spelen van Barcelona terecht gekomen in een grote bestuurscrisis. Het ene bestuurslid kwam en de ander vertrok. Die onrust hield aan. Jaar in jaar uit. Vooral vanaf 2000. En dat het NOC*NSF op basis van de slechte ervaringen de geldkraan dichtdraaide, was te begrijpen. Het was dweilen met de kraan open. Sportieve resultaten bleven uit. De verhuizing van het bondsbureau van Amsterdam naar Nieuwegein om in te trekken bij de judobond was een teleurstellende operatie. De administratie was niet op orde en de inkomsten aan contributies liepen terug. Met als gevolg een betalingsachterstand, die zijn weerga niet kende. Vier jaar geleden greep het NOC*NSF in. Uit het bedrijfsleven werden personen aangezocht, die een nieuw bestuur vormden. Zij vonden het een uitdaging om in het boksen actief te zijn maar hadden geen enkele binding met de vechtsport. Dat was een nadeel maar ook een voordeel. Nieuwe bezems vegen schoon. Die operatie lukte alweer deels. De ledenadministratie van de bond is verbeterd, er wordt hard gewerkt om de duizenden recreatieve boksbeoefenaren in de sportcentra lid te maken van de Bond, de ambitie werd benadrukt om na de succesvolle organisatie van het eerste EK vrouwen in 2011 ook te kandideren voor het EK jeugd volgend jaar en voor het eerst in vele jaren werd de financiële jaarrekening afgesloten met een positief saldo, circa 20 duizend euro. Daarbij kan ook nog een plus van 16 duizend euro worden opgeteld van het EK. Voor die uitkomst verdient het bestuur een groot compliment.

Maar om terug te keren naar de intro- gedachte. Hoe kan de Boksbond het tij doen keren ten aanzien van de Olympische Spelen. Rio de Janeiro 2016 staat eerder voor de deur dan men denkt. Het momentum is nu aangebroken om een nieuwe start met de aanpak van de Nederlandse topsport in het boksen te maken. Vragen die dan gesteld moeten worden zijn: heeft het zin om die weg met succes in te slaan zonder bondscoach en zonder een sportcoördinator? Beide functies zijn al vele jaren niet ingevuld. Er is wel een technisch directeur, Louis Wijdenbosch, benoemd een jaar voor de Spelen, toen Europees kampioene Marichelle de Jong en Nouchka Fontijn in beeld kwamen. Maar onduidelijk is of zijn dienstverband wordt verlengd door het NOC*NSF. De betaler bepaalt tenslotte.

Ook al zou de Amsterdamse judocoach doorgaan dan is de basis te smal om het daarbij te laten. Een betaalde bondscoach in fulltime-dienst, al dan niet gehaald uit het buitenland, is een noodzakelijkheid. Maar ook dan is men er nog niet. Hij kan de zorg op zich nemen van Nouchka Fontijn, Peter Mullenberg en het jonge talent Wouter Djokic. Stuk voor stuk boksers die op dit moment naar Rio willen en kunnen toewerken. Een coördinator met eigentijdse ervaring zal de basis in de vijf districten, de kraamkamer van de sport op orde moeten brengen. In de aanpak van onder af is op heden geen enkele samenhang. Het gebrek aan eensgezindheid bij vele clubs om topsport te bedrijven vormt het eerste obstakel en als dat station is gepasseerd kan een talent in het ene district wel rekenen op af en toe een districtstraining maar in het andere niet. De regelmaat ontbreekt ook bij de trainingsaanpak op landelijk niveau. In dat verband zou te overwegen zijn om een bokser een voorkeursbehandeling te geven die op eigen initiatief een commerciële ploeg wil oprichten. Waarom niet? Zo begon het in het professionele schaatsen en andere takken van sport ook en niemand werd er slechter van. De laatste jaren zijn er ruim 180 gediplomeerde bokstrainers opgeleid en zij moeten met hun ideeën een belangrijke impuls geven aan een nieuwe richting. Wie pakt de handschoen op?

opgetekend door Hans de Bruijn