Sport verbroedert. Dat is één van de voornaamste redenen waarom je sport en politiek gescheiden moet houden.

Het schoolvoorbeeld dat sport en politiek verbroedert is het Zuid-Afrikaans rugbyteam van 1995. Dit team bestond uitsluitend uit blanke Afrikaners in een land waar tot 1990 nog apartheidswetten golden.

Nelson Mandela, een voorvechter voor de afschaffing van de apartheid, gebruikte het WK om een verdeeld volk samen te brengen. Hij bezocht het team tijdens de training, deed toespraken en overhandigde de beker aan aanvoerder Francois Pienaar nadat Zuid-Afrika het WK had gewonnen.

Het land was die dag niet alleen een wereldtitel rijker, maar zette een grote stap richting een herenigd Zuid-Afrika.

Sport en politiek staan voor mij los van elkaar. In 2007 was ik met mijn leerling Xhavit Bajrami afgereisd naar Moskou. Hij kwam toen in actie tijdens Battle of Champions. Iedereen was na afloop van dat evenement uitgenodigd in het Kremlin. President Poetin was daar aanwezig en schudde alle aanwezigen de hand. Dat vond ik geweldig. Ik heb onze minister-president Mark Rutte dat nog nooit zien doen.

Kijk, het is het goed recht van iedere sporter om wel of niet naar een land af te reizen waar bijvoorbeeld homohaat, emancipatie, oorlog of armoede heerst. Dat is een keuze die je moet respecteren. Ik ben alleen van mening dat een atleet zich niet door de politiek moet laten belemmeren. Ik vind niet dat je moet wegblijven voor iemand als Poetin.

Het is bewezen dat sport verbroedert, sport brengt eenheid.