In 1998 werd ik door PRIDE benaderd met de vraag of Branko Cikatić een mixed martial arts-wedstrijd in Japan wilde draaien. De organisatoren waren bereid om 200.000 dollar te betalen om Branko in actie te laten komen tegen Mark Kerr. Branko hoefde daar geen seconde over na te denken.

We wisten allebei dat Branko op de grond geen schijn van kans had. Onze missie was daarom duidelijk: blijven staan. En ja hoor, Kerr had geen zin om te kickboksen met Branko en probeerde er direct een grondgevecht van te maken. Branko had daar geen trek in en hield zich, tegen de regels in, vast aan de ringtouwen. Hij kreeg daar een waarschuwing voor.

Het gebeurde later opnieuw, maar ditmaal deelde Branko ook nog eens enkele forse elleboogstoten uit naar het achterhoofd van Kerr. Branko werd gediskwalificeerd. Hij zat er niet mee dat hij verloren had. Hij had tenslotte 200.000 dollar in nog geen drie minuten verdiend.

Toen we de volgende ochtend in ons hotel aan de koffie zaten, kwamen er 7 Japanners onze kant op. Alle 7 strak in het pak met ieder een koffer in hun hand. Dat was niet het enige dat ze gemeen hadden. Bij allen ontbrak 1 pink. De Yakuza wilde ons spreken.

‘Mister Harinck, can we talk?’, zei één van de Japanners tegen mij. Ik stemde daarmee in. Hij gaf aan dat Branko de helft van zijn gage moest inleveren omdat Branko zich niet aan de regels gehouden had.

Toen Branko zijn koffie op had, vroeg hij aan me wat ze wilden. ‘They want the half of your money back’, was mijn antwoord. Branko, zo groot als hij is, kwam overeind uit zijn stoel, wendde zich tot de boodschapper en zei luid: “Who wants my money back! You don’t get my money. Never.”

De 7 Japanners maakten vervolgens een diepe buiging en snelden het hotel uit.